Op 28 november 2025 heeft de Hoge Raad der Nederlanden een belangrijke prejudiciële beslissing genomen over de toepassing van artikel 3 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) bij vorderingen tot ontruiming van huurwoningen waarin minderjarige kinderen wonen (ECLI:NL:HR:2025:1799). Deze uitspraak verduidelijkt de rol die kinderrechten spelen in huurrechtelijke ontruimingsprocedures en biedt rechters en rechtspraktijk een nieuw toetsingskader voor de beoordeling van dergelijke vorderingen.
1. Context en achtergrond
In veel ontruimingszaken speelt mee dat een verhuurder de huurovereenkomst wil beëindigen en ontruiming vordert omdat de huurder ernstig tekortschiet in zijn verplichtingen. Dit kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van overlast, criminele activiteiten, wanbetaling of andere tekortkomingen. De aanwezigheid van minderjarige kinderen in de woning roept daarbij aanvullende juridische vragen op: welke rol spelen de rechten en het belang van het kind bij een beslissing over ontruiming?
Deze vraag komt voort uit artikel 3 lid 1 IVRK, dat bepaalt dat in alle maatregelen die kinderen betreffen, het belang van het kind een primaire overweging moet zijn. De Hoge Raad werd prejudiciële vragen voorgelegd over de inhoud en praktische toepassing van deze norm bij ontruimingsvorderingen.
2. Kern van de uitspraak
a. Belang van het kind als eerste overweging
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat artikel 3 lid 1 IVRK meeweegt bij de beoordeling van ontruimingsvorderingen wanneer de ontruiming ook (minderjarige) kinderen treft. Dit betekent dat de rechter moet onderzoeken of kinderen in de woning wonen en dat de belangen van deze kinderen als primaire factor worden betrokken bij de belangenafweging tussen de verhuurder en de huurder.
Belangrijke nuance in de uitspraak is dat het niet automatisch betekent dat een ontruiming moet worden afgewezen als een kind daar nadeel van ondervindt. Wel dient het belang van het kind bijzondere aandacht en gewicht in de beoordeling te krijgen, naast andere relevante belangen.
b. Rechterlijke onderzoeksplicht
De Hoge Raad benadrukt dat de rechter in ontruimingszaken ook ambtshalve moet onderzoeken of de gevorderde ontruiming kinderen zal treffen en wat in de concrete omstandigheden in hun belang is. De rechter moet daarom:
- vaststellen of er kinderen in de te ontruimen woning wonen;
- nagaan wat de mogelijke gevolgen van ontruiming zijn voor de huisvesting en het welzijn van deze kinderen;
- beoordelen wat de mogelijkheden zijn voor alternatieve huisvesting en opvang;
- de belangen van het kind expliciet meewegen in de afweging.
Het recht op huisvesting van een kind en het voorkomen van dakloosheid of scheiding van ouders en kinderen zijn hierbij belangrijke aspecten, maar ze zijn geen absolute belemmering voor ontruiming.
c. Geen verplichting tot actief extern onderzoek
De Hoge Raad maakt duidelijk dat artikel 3 IVRK geen verplichting oplegt aan de rechter om buiten de procedure actief contact op te nemen met externe instanties (zoals gemeenten, Raad voor de Kinderbescherming of hulpverleningsorganisaties). Wel kan de rechter gebruikmaken van zijn procesrechtelijke bevoegdheden, zoals het gelasten van deskundigenonderzoek of het opvragen van informatie aan de partijen.
d. Mogelijkheid tot verbinden van voorwaarden
De rechter heeft volgens de Hoge Raad de vrijheid om aan een toewijzing van ontruiming voorwaarden te verbinden die tegemoetkomen aan de belangen van de kinderen. Voorbeelden zijn:
- verlenging van de ontruimingstermijn om tijd te geven voor alternatieve huisvesting;
- het uitstellen van de beslissing om opvang of geschikte woonruimte te regelen;
- het koppelen van de ontruiming aan de voorwaarde dat er adequate opvang is voor de getroffen kinderen.
Tegelijk benadrukt de Hoge Raad dat het regelen van alternatieve huisvesting in principe niet tot de verantwoordelijkheid van de verhuurder behoort; deze verantwoordelijkheid ligt vooral bij de ouders en de overheid.
3. Juridische gevolgen en impact
a. Versterking van kinderrechten in civiele procedures
De uitspraak bevestigt dat internationale kinderrechtennormen (IVRK) hun weg hebben gevonden in het Nederlandse privaatrechtelijk toetsingskader. Rechters moeten bij ontruimingsvorderingen rekening houden met kinderbelangen, ook al blijft ontruiming onder voorwaarden mogelijk.
b. Aanscherping van de rechterlijke aanpak
Rechters moeten voortaan:
- ambtshalve nagaan of er kinderen worden getroffen;
- expliciet in hun vonnis motiveren hoe de belangenafweging heeft plaatsgevonden;
- meer aandacht besteden aan informatie over alternatieve huisvesting en opvang.
Deze verplichtingen gelden ook in verstekprocedures, waarbij de rechter zich moet baseren op de feiten die in het geding zijn en zonodig nadere informatie opvragen bij de verhuurder.
c. Praktische gevolgen voor verhuurders
Voor verhuurders betekent dit dat zij in ontruimingszaken waarin kinderen wonen, steeds meer rekening moeten houden met het belang van het kind als onderdeel van de procedure. Dat vereist vaak meer gedetailleerde informatie over de gezinssamenstelling, de wooncondities en de mogelijkheden voor passende alternatieven.
Voor ons als gerechtsdeurwaarders brengt de uitspraak mee dat in (voorbereidende) stukken expliciet aandacht moet worden besteed aan kinderrechten en mogelijke gevolgen van ontruiming, inclusief de juridische onderbouwing van belangenafwegingen.
4. Samenvattend
De uitspraak ECLI:NL:HR:2025:1799 van 28 november 2025 is een wezenlijke precisering met betrekking tot ontruimingen van huurwoningen waarin ook minderjarige kinderen wonen. De Hoge Raad bevestigt dat:
- het belang van het kind op grond van artikel 3 lid 1 IVRK een primaire overweging vormt;
- de rechter dit belang actief moet onderzoeken en zwaar moet meewegen;
- ontruiming nog steeds mogelijk blijft, maar onder meer gebaseerd moet zijn op een evenwichtige belangenafweging;
- de rechter bij zijn beslissing voorwaarden kan verbinden die tegemoetkomen aan kinderbelangen.
Deze uitspraak draagt eraan bij dat internationale kinderrechten actief worden geïntegreerd in de Nederlandse civiele rechtspraktijk, en benadrukt tegelijkertijd de noodzaak van zorgvuldige en gedetailleerde procedurele behandeling van ontruimingszaken waarin kinderen betrokken zijn.
