Schuldhulpverlening is een onmisbaar onderdeel van ons sociale vangnet. Daar bestaat geen discussie over. Mensen die vastlopen, verdienen hulp. Maar zoals bij elk goedbedoeld systeem, schuilt het risico niet in het uitgangspunt, maar in de uitvoering. En precies daar zien wij in de dagelijkse praktijk een ontwikkeling die aandacht verdient.
De trend is duidelijk: schulden moeten snel worden gesaneerd. En bij voorkeur zo goedkoop mogelijk. Steeds vaker ontvangen schuldeisers voorstellen waarbij de uitkomst al bij voorbaat vaststaat: 0% tegen finale kwijting. Efficiënt, overzichtelijk en administratief keurig afgerond. Alleen… niet voor iedereen even aantrekkelijk.
Van maximaal haalbaar naar minimaal voldoende
In theorie is het uitgangspunt helder. Een schuldregeling is bedoeld om tot een maximaal haalbare oplossing te komen, waarbij zowel de belangen van de schuldenaar als die van de schuldeisers worden gewogen. In de praktijk lijkt het accent steeds vaker te liggen op een ander criterium: hoe krijgen we het dossier zo snel mogelijk dicht? Het resultaat is voorspelbaar. Voorstellen gebaseerd op minimale aannames, summiere onderbouwing en een VTLB-berekening die vooral één ding moet aantonen: geen ruimte, geen aflossing, dus geen betaling. En daarmee is de cirkel rond. Dat is efficiënt. Maar of het ook evenwichtig is, is een andere vraag.
0% tegen finale kwijting: praktisch, maar principieel
Een voorstel van 0% tegen finale kwijting is administratief gezien een droom. Geen aflossingen, geen termijnen, geen monitoring. In één keer klaar. Voor de schuldenaar een nieuwe start. Voor de schuldhulpverlener een afgerond traject. En voor de schuldeiser… een boekhoudkundige correctie. Het is een elegante oplossing, zolang je niet degene bent die de vordering moet afschrijven. Juridisch gezien is het verschil tussen “geen draagkracht” en “geen vordering” aanzienlijk. In de praktijk lijkt dat onderscheid steeds vaker te vervagen. Het ene moment is er tijdelijk geen ruimte, het volgende moment is de schuld definitief verdwenen. Zonder dat daar inhoudelijk veel discussie over wordt gevoerd.
Wie niet mee gaat, gaat naar de WSNP
En dan is er nog de vervolgstap. Wordt een 0%-voorstel afgewezen – wat op zichzelf niet onlogisch is – dan volgt vaak het volgende hoofdstuk: een aanvraag tot toelating tot de WSNP. Het mechanisme is inmiddels herkenbaar. Eerst het buitengerechtelijke voorstel. Dan de afwijzing. Vervolgens binnen no time een verzoek tot heroverweging met een mogelijk dwangakkoord als drukmiddel. Tot slot volgt de wettelijke route. Niet zozeer omdat alle mogelijkheden zijn uitgeput, maar omdat het systeem nu eenmaal zo is ingericht. Het effect is dat schuldeisers feitelijk volledig buiten spel komen te staan. Hun vorderingen zijn vaak al in rechte vastgesteld en toegewezen, maar hun invloed op de uitkomst is tot nul gereduceerd. Het traject loopt door zonder hen. Dat is juridisch correct. Maar het voelt niet altijd even evenwichtig.
Versnellen is het nieuwe normaal
Waar een WSNP-traject vroeger drie jaar duurde, is dat inmiddels anderhalf jaar. Ook dat past in het grotere beeld. Sneller, korter, overzichtelijker. Voor de schuldenaar prettig. Voor de uitvoerende instanties werkbaar. En voor de schuldeiser… een strak georganiseerde vorm van verliesneming. Alles wijst in dezelfde richting: schulden zo snel mogelijk wegwerken. Niet per se door meer inspanning, maar door minder verhaal. Niet door intensiever traject, maar door kortere looptijd. Het resultaat is een systeem dat soepel draait, maar waarin de lasten structureel aan één kant terechtkomen. En die kant is het MKB.
De balans is zoek
Want laten we wel wezen: de gemiddelde schuldeiser is geen anonieme grootmacht. Het is de lokale ondernemer. De installateur. De leverancier. De verhuurder. De zorgaanbieder. Het MKB. Zij leveren. Zij financieren. En zij schrijven af. Dat is op zichzelf geen ramp. Ondernemen is risico nemen. Maar als dat risico steeds vaker structureel bij dezelfde groep wordt neergelegd, is het gerechtvaardigd om de vraag te stellen of de balans nog klopt.
Een kwestie van perspectief
Niemand pleit voor hardheid zonder menselijk maat. Niemand ontkent dat mensen in de knel kunnen raken. Maar schuldhulpverlening is iets anders dan herverdeling. En saneren is iets anders dan afschrijven. Een systeem dat momenteel primair is ingericht op snelheid en afronding, loopt het risico het evenwicht uit het oog te verliezen. Niet elke schuld is weg te regelen. Niet elk dossier is saneringsrijp. En niet elke schuldeiser hoeft vanzelfsprekend genoegen te nemen met niets! Dat is geen onwil. Dat is realisme.
Tot slot
De wetgever heeft de WSNP bedoeld als ultimum remedium. De praktijk gebruikt haar als logische vervolgstap. En ergens tussen bedoeling en uitvoering is de positie van de schuldeiser geruisloos verdampt.
