In de praktijk van de deurwaardersbranche zien wij het steeds vaker; dossiers waarin schuldenaren jarenlang ieder contact ontwijken, niet reageren op aanmaningen en sommaties, geen enkele betalingsbereidheid tonen en uiteindelijk door de rechter worden veroordeeld tot betaling. Geen regeling, geen uitleg, geen enkele vorm van medewerking. Volledige radiostilte.
En dan – meestal jaren later – volgt er een buitengerechtelijk akkoord van enkele luttele procenten tegen finale kwijting, onder het mom van schuldhulpverlening, saneringskrediet of schuldregeling. De schuldeiser wordt geacht “maatschappelijk verantwoord” te zijn, mee te denken, begrip te tonen en genoegen te nemen met enkele procenten van zijn vordering. De schuldenaar krijgt perspectief, de schuldeiser krijgt het verzoek om welwillendheid.
Wie de geschiedenis van dergelijke dossiers kent, kan niet anders dan concluderen: de balans tussen de rechten van schuldeiser en schuldenaar is zoek.
Waar was die welwillendheid toen er herhaaldelijk om betaling werd verzocht?
Waar was die medewerking toen de rechter een duidelijke veroordeling uitsprak?
Waar was dat verantwoordelijkheidsbesef toen iedere reactie uitbleef?
Het is een wrange realiteit dat het systeem op deze manier feitelijk calculerend gedrag beloont. Wie zich jarenlang onttrekt, geen enkel initiatief toont en alles op zijn beloop laat, lijkt uiteindelijk beter af dan degene die wél meewerkt en verantwoordelijkheid toont. Dat is niet uit te leggen aan hardwerkende MKB-ondernemers die hun marges steeds verder zien verdampen, wel leveren maar niet betaald krijgen en vervolgens moeten toezien hoe hun vordering tegen finale kwijting wordt afgekocht voor een fractie van de feitelijke vordering.
Laat ik helder zijn: ik ben niet principieel tegen een buitengerechtelijk akkoord. Integendeel. In veel situaties kan een minnelijke regeling verstandig, humaan en economisch rationeel zijn. Maar dan wel binnen een kader dat recht doet aan álle betrokkenen – dus óók aan de schuldeiser – en met waarborgen die misbruik en recidive tegengaan.
Op dit moment ontbreekt dat evenwicht. En helaas moeten wij constateren dat de roep vanuit de creditmanagementbranche richting politiek om die balans te herstellen, aan dovemans oren is gericht. Er wordt voornamelijk geluisterd naar schuldhulpverleners, naar belangenorganisaties van debiteuren, naar maatschappelijke druk – maar de positie van de schuldeiser, en in het bijzonder het MKB, raakt structureel ondergesneeuwd.
Daarom zeg ik: het MKB en haar belangenorganisaties zullen zelf nadrukkelijker hun zaak moeten bepleiten in Den Haag. Niet defensief, niet besmuikt, maar stevig en zichtbaar. Want zonder gezonde crediteuren geen gezonde economie. Zonder betalingsdiscipline geen duurzame bedrijvigheid.
Het zou goed zijn als buitengerechtelijke akkoorden meer worden omkleed met concrete waarborgen. Denk bijvoorbeeld aan:
- verplicht budgetbeheer of beschermingsbewind voor een langere periode (bijvoorbeeld vijf jaar);
- structurele financiële begeleiding;
- duidelijke sancties bij nieuwe betalingsachterstanden.
Niet om te straffen, maar om te voorkomen dat dezelfde personen binnen afzienbare tijd opnieuw in exact hetzelfde patroon belanden – met nieuwe schuldeisers als slachtoffer.
Schuldsanering mag geen resetknop zijn zonder consequenties. Het moet een herstart zijn mét verantwoordelijkheid.
Zolang die balans ontbreekt, blijft het wringen. En blijft de schuldeiser te vaak de partij die betaalt – niet alleen financieel, maar ook in rechtsgevoel.
